Opheffing schorsing executie belastingdienst vereist altijd rechterlijke uitspraak

In eerdere uitspraken is al uitgemaakt dat de ontvanger de schorsende werking van het verzet opzij kan laten zetten door dit aan de rechter voor te leggen in evident kansloze zaken. In het arrest van 1 mei 2015 lag de vraag voor of dit ook eigenhandig, zonder rechterlijke tussenkomst kan.

Per 2008 had de ontvanger in zijn beleid (oud) opgenomen dat als het verzet zo kansloos was dat het naar zijn mening instellen misbruik van recht zou opleveren, de ontvanger ‘na verkregen toestemming van het ministerie – [kan] besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten’. Hierop heeft de ontvanger de nodige kritiek gekregen, niet in de laatste plaats van de Nationale ombudsman.

De Hoge Raad heeft nu helder geoordeeld dat dit niet kan. Het beleid van de belastingdienst is daar inmiddels ook op aangepast. De Hoge Raad oordeelde:

 “De wet verbindt (…) aan het verzet zonder meer het gevolg van schorsende werking. Dit berust (…) op een welbewuste keuze van de wetgever. Daarmee strookt (…) dat in geval van misbruik van bevoegdheid alleen door een rechterlijke beslissing de schorsende werking aan het verzet kan worden ontnomen. Voor deze beperking bestaat ook aanleiding nu het gaat om de tenuitvoerlegging van een titel die (als zodanig) niet door de rechter is getoetst.

Juist omdat de belastingdienst zichzelf een ‘titel’ (ook wel een bevoegdheid) verschaft waarmee hij beslag kan leggen en uitwinnen, zonder rechterlijk oordeel of aanslag terecht is, is een extra rem nodig. Deze rem bestaat in de mogelijkheid om verzet in te stellen tegen executie door de belastingdienst. Voordat die (schorsende) werking eenzijdig opzij kan worden gezet door de belastingdienst, is daarom rechterlijke tussenkomst noodzakelijk.